Waar veel families hopen op een rustige, zo licht mogelijke laatste levensfase, blijft de realiteit vaak heel technisch. Recepten lopen door, medicatielijsten groeien en gesprekken over stoppen met pillen komen laat, of helemaal niet. Nieuwe cijfers uit Japan tonen hoe hardnekkig behandelreflexen blijven, zelfs als genezing geen doel meer is.
Een Japanse studie die schuurt: hoeveel pillen slikken ouderen nog?
Onderzoekers van de universiteit van Tsukuba keken naar 1.269 mensen van 65 jaar en ouder met vergevorderde kanker in de stad Mito. Alle patiënten overleden tussen 2017 en 2023. De gemiddelde leeftijd bedroeg ruim 80 jaar en bijna twee derde waren mannen. De artsen volgden hun medicatie zes, drie en één maand voor het overlijden.
Ze gebruikten het OncPal-instrument, een soort checklijst die helpt vaststellen of een middel nog zinvol is bij een beperkte levensverwachting. Niet het kankermedicijn zelf stond centraal, wel alles daarbuiten: pillen tegen cholesterol, bloeddruk, botontkalking, vitamines, antidiabetica.
Zes maanden voor het overlijden kreeg 77% van de patiënten minstens één potentieel ongeschikt medicijn. Eén maand voor het overlijden gold dat nog altijd voor 70%.
Gemiddeld slikte elke patiënt rond de zeven verschillende middelen per dag, exclusief chemotherapie of doelgerichte therapie. Een deel daarvan had nog een duidelijk doel, zoals pijnstilling of misselijkheidsremmers. Maar een aanzienlijke groep middelen gaf vooral extra risico’s, zonder reële winst in levensduur of levenskwaliteit.
Welke medicijnen worden het vaakst te laat gestopt?
Tussen zes en één maand voor het overlijden zagen de onderzoekers vooral een daling bij preventieve middelen. De kans dat een patiënt deze pillen op het eind nog slikte, nam af, maar vaak pas in de laatste weken:
- anti-aggregantia (bloedplaatjesremmers) en bloeddrukverlagers;
- cholesterolverlagers zoals statines en orale antidiabetica;
- middelen tegen osteoporose, vitamines en mineralensupplementen.
Kenmerkend: veel van deze middelen dienen om problemen te voorkomen op de lange termijn, bijvoorbeeld een infarct over vijf jaar of botontkalking op latere leeftijd. Bij een levensverwachting van enkele maanden kantelt de balans. De kans op bijwerkingen weegt dan vaak zwaarder dan een hypothetisch voordeel dat nooit meer gehaald wordt.
Waarom “preventie” kan ontsporen aan het levenseinde
De moderne geneeskunde draait al decennia rond preventie: hoog cholesterol omlaag, bloeddruk strak controleren, suikerwaarden in toom houden. Dat beleid werkt bij iemand van 55 met nog tientallen levensjaren voor zich. Bij een 84-jarige met uitgezaaide kanker ligt dat anders.
Veel preventieve middelen leveren pas winst na jaren gebruik. Statines verlagen het risico op hart- en vaatziekten, maar vooral op langere termijn. Tabletten tegen osteoporose verkleinen de kans op een botbreuk, maar pas na langdurige inname. Vitamines en supplementen brengen zelden een merkbaar verschil in de laatste levensmaanden.
➡️ Veiligheidsmythe of geniale hack: waarom sommige experts zweren bij azijn op je huissleutels
➡️ Het ongemakkelijke geheim: waarom jouw pensioenfonds financieel baat heeft bij jouw vroege overlijden
➡️ Klimaat als excuus: waarom boeren hun land kwijtraken terwijl grootvervuilers blijven draaien
➡️ Oude tv, verborgen poort: waarom fabrikanten liever hebben dat jij een nieuwe koopt
➡️ Pensioendroom of pensioennachtmerrie – waarom werken tot je 67e niet meer garandeert dat je rondkomt
➡️ Mantelzorg als goedkope truc: hoe bezuinigingen de zorg veranderen in uitbuiting
➡️ Volgens de psychologie vertonen grootouders die diep geliefd zijn bij hun kleinkinderen deze 7 warme en herkenbare gewoontes
➡️ Als stappen tellen gevaarlijk wordt – wat je huisarts je nooit zei over wandelen op hogere leeftijd
Bij een korte prognose verschuift de vraag van “leef ik langer?” naar “hoe leef ik deze laatste maanden?”.
Daar komt bij dat ouderen vaak kwetsbaarder reageren op bijwerkingen. Antihypertensiva kunnen duizeligheid veroorzaken en zo het valrisico verhogen. Antidiabetica kunnen zorgen voor gevaarlijke hypoglykemieën, zeker bij mensen die minder eten. Polyfarmacie – het gebruik van veel middelen tegelijk – vergroot de kans op interacties en ziekenhuisopnames.
Wat cijfers uit Frankrijk laten zien
Een Franse studie bij 100 oudere patiënten met metastatische longkanker schetst een vergelijkbaar beeld. De groep gebruikte gemiddeld zes niet-oncologische medicijnen per dag. Bij 64% was sprake van polyfarmacie. Bij 7% ging het om ongeschikte of onnodige middelen, en bij 7% bestonden klinisch relevante interacties tussen geneesmiddelen.
Opvallend detail: bij ongeveer één op vijf patiënten leidde een farmacologische interventie tot een aanpassing van de medicatie. Zodra een apotheker of arts systematisch de lijst bekeek, volgde bijna altijd een correctie. Dat suggereert dat veel “fouten” vooral voortkomen uit automatisme en tijdgebrek, niet uit bewuste keuze.
De kunst van het stoppen: deprescribing als onderdeel van zorg
In de Japanse studie speelden opname en zorgcontext een grote rol bij het schrappen van pillen. Vrouwen, patiënten met veel comorbiditeiten en mensen die in het ziekenhuis belandden, hadden meer kans dat er minstens één ongeschikt middel werd gestopt. Het effect was het sterkst in palliatieve eenheden.
Een opname op een palliatieve afdeling vergrootte de kans op deprescribing veel meer dan een verblijf op een algemene afdeling.
Palliatieve teams nemen vaak expliciet de tijd om medicatielijsten te herbekijken. Ze vragen: wat helpt nog tegen klachten? Waar wordt iemand misselijk, slaperig of verward van? Welke pillen zijn ooit gestart “voor later”, terwijl dat “later” inmiddels buiten bereik ligt?
Dat proces heet deprescribing: het bewust identificeren en stoppen van middelen die geen zinvolle bijdrage meer leveren of zelfs schade kunnen veroorzaken. Niet als opgave, maar als actief behandelplan. Vaak loopt dit in verschillende stappen:
- alle lopende medicatie in kaart brengen;
- per middel het doel, de termijn en de verwachte winst bespreken;
- samen met patiënt en familie prioriteiten bepalen (comfort, helderheid, zo min mogelijk bijwerkingen);
- geleidelijk afbouwen en monitoren hoe iemand zich voelt.
Waarom stoppen psychologisch zo moeilijk is
Voor artsen en patiënten voelt stoppen soms als “iets niet meer doen”. Toch gaat het eigenlijk over actief kiezen wat nog past. Jarenlang stond het medisch denken in het teken van toevoegen: nog een pil, nog een kans, nog een lijn therapie. Een recept schrappen brengt emoties mee: angst voor verwijt, schuldgevoel, het gevoel opgeven.
Ook families worstelen hiermee. Een dochter die al tien jaar ziet hoe haar vader elke ochtend trouw zijn statine slikt, ervaart het stoppen vaak als een markeerpunt: het gaat echt richting einde. De reflex is dan soms: “Laten we alles maar laten zoals het is, baat het niet dan schaadt het niet.” Alleen klopt dat laatste niet altijd.
Wat kunnen Nederlandse patiënten en naasten hieruit leren?
Hoewel de studie in Japan plaatsvond, raken de resultaten direct aan de Nederlandse context. Ook hier worden ouderen met kanker vaak behandeld door meerdere specialisten tegelijk: oncoloog, cardioloog, huisarts, internist. Elke arts voegt soms iets toe, maar niemand overziet voortdurend het hele lijstje.
Juist daarom loont een structurele medicatiecheck zodra duidelijk wordt dat kanker niet meer te genezen is. Dat hoeft niet te wachten tot de laatste weken. Een gesprek op het moment dat de oncoloog spreekt over “behandeling met palliatieve intentie” kan veel spanning wegnemen.
Een eenvoudige vraag aan de arts kan al veel losmaken: “Welke van deze pillen verbeteren nu nog concreet mijn dag?”.
Praktische gesprekspunten voor patiënten en mantelzorgers:
- Vraag welke medicijnen nog dienen voor directe klachtenverlichting.
- Informeer welke middelen vooral dienen voor langetermijnpreventie.
- Bespreek bijwerkingen die de laatste maanden zwaarder maken.
- Overweeg samen een proefperiode met minder pillen, mits medisch veilig.
Voorbeeld: een denkbeeldige patiënt
Neem Jan (79) met uitgezaaide darmkanker. Hij gebruikt:
| Medicijn | Doel | Relevantie bij levensverwachting < 6 maanden |
|---|---|---|
| Oxycodon | Pijnstilling | Blijft doorgaans zinvol, comfortverhogend |
| Metformine | Suikerverlaging | Vraag naar hypoglykemieën, soms te stoppen of af te bouwen |
| Statine | Langetermijnpreventie hart- en vaatziekten | Vaak weinig nut meer, kandidaat om te stoppen |
| Bisfosfonaat | Botontkalking voorkomen | Winst op lange termijn, nut wordt erg beperkt |
| Multivitamine | Algemene ondersteuning | Zelden doorslaggevend, kan vaak weg |
In zo’n situatie kan een gezamenlijke evaluatie uitkomen op behoud van pijnstillers en middelen tegen benauwdheid, maar het langzaam schrappen van statine, bisfosfonaat en eventueel vitaminepreparaten. Minder pillen betekenen vaak minder last en minder zorgen rond innametijden, zeker als eten al moeizaam gaat.
Ruimte maken voor gesprekken over kwaliteit van leven
Deprescribing raakt aan een bredere verschuiving in de oncologie: van puur levensverlenging naar een open gesprek over wat die extra tijd inhoudt. Sommige patiënten kiezen bewust voor maximale behandeling, anderen voor zo min mogelijk ziekenhuisbezoeken. Beide keuzes kunnen kloppen, zolang de feiten helder op tafel liggen.
Ook huisartsen spelen hierbij een rol. Zij kennen vaak het hele medicatieverleden en kunnen als “regisseur” meekijken wanneer oncologen of andere specialisten nieuwe middelen voorstellen. Een gezamenlijke medicatiebespreking met patiënt, naasten, huisarts en eventueel palliatief team kan veel dubbelingen en misverstanden wegnemen.
Voor mantelzorgers geeft zo’n gesprek soms opluchting: het gevoel minder te hoeven “managen” en meer te mogen zorgen. Geen strijd meer elke ochtend over dat laatste pilletje dat misselijkheid veroorzaakt, maar aandacht voor eten dat nog smaakt, gesprekken die ertoe doen en momenten van rust.
Wie zich afvraagt of er bij een naaste nog pillen in de medicijnkast liggen die weinig toevoegen, doet er goed aan het onderwerp voorzichtig aan te snijden bij de behandelend arts. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit een gedeelde vraag: hoe maken we deze laatste maanden zo draaglijk en zinvol mogelijk, met precies genoeg behandeling – en niet meer dan dat.










