Rotsklimmers in Italië doen een opvallende vondst die mogelijk wijst op een 80 miljoen jaar oude ‘paniekvlucht’ van zeeschildpadden

 

De gladde kalksteenwand van Monte Cònero leek op het eerste gezicht gewoon uitdagend klimterrein. Toch trokken diepe groeven in het roodachtige gesteente de aandacht van de klimmers. Ze deden denken aan sporen die eerder dat jaar al nieuws hadden gemaakt. Die intuïtie bleek het begin van een bijzonder verhaal over zeeschildpadden, aardbevingen en een verdwenen zeebodem.

Een toevallige vondst aan een Italiaanse rotswand

De groeven bevonden zich hoog op de flank van Monte Cònero, in het regionale park bij Ancona, direct uitkijkend over de Adriatische Zee. De klimmers waren geen geologen, maar ze herkenden het patroon van eerdere berichten: langgerekte sleuven, parallel en herhaald, alsof een dier zich herhaaldelijk van de bodem had afgestoten.

Ze namen contact op met medeklimmer en geoloog Paolo Sandroni. Die schakelde Alessandro Montanari in, directeur van het Coldigioco Geological Observatory, dat al jarenlang het gesteente in de regio bestudeert.

De rotswand waar nu klimmers hangen, vormde in het Laat‑Krijt nog een honderden meters diepe zeebodem vol leven.

Sandroni keerde met een team terug naar de plek. Ze klommen opnieuw naar de sporen, namen gesteentemonsters en lieten met een drone het volledige oppervlak in detail in kaart brengen. De resultaten verschenen later in het tijdschrift Cretaceous Research.

Van diepzeebodem tot bergflank

De sporen liggen in de zogenaamde Scaglia Rossa, een roodachtige kalksteenformatie die miljoenen jaren aan diepzeesediment bewaart. Dat gesteente is beroemd onder geologen, omdat het een lange, vrijwel doorlopende geschiedenis van de oude oceaanbodem bevat.

Door tektonische krachten is deze oude zeebodem in de loop van de tijd geplooid en omhooggedrukt, totdat hij deel werd van de Apennijnen. Wat ooit horizontaal op de bodem van de Tethysoceaan lag, staat nu bijna verticaal als klimwand boven de zee.

Dunne slijpplakjes van de kalksteen, bekeken onder de microscoop, tonen talloze microfossielen van bodembewonende organismen. Die wijzen op een diepe, rustige zeebodem, enkele honderden meters onder het wateroppervlak, ver weg van kustgolven.

Een plotselinge ‘paniekvlucht’ van zeeschildpadden?

De onderzoekers zien de groeven als sporenbanen: series van afdrukken die zijn ontstaan toen dieren zich met hun ledematen over of van de zeebodem afduwden. Op basis van de vorm, grootte en het tijdperk komt slechts een beperkt aantal kandidaten in beeld: grote mariene reptielen zoals zeeschildpadden, plesiosauriërs en mosasauriërs.

➡️ Hij kan met één klauw doden, maar plant duizenden bomen

➡️ Waarom veel mensen hun kruiden verkeerd bewaren en zo smaak verliezen

➡️ Wat het zegt als je steeds bezig bent met “goed overkomen”

➡️ Veel mensen gebruiken schoonmaakdoekjes verkeerd en verspreiden zo bacteriën

➡️ Zo maak je sterke wachtwoorden die je wél onthoudt zonder wachtwoordmanager-stress

➡️ Waarom minder opties soms beter werken

➡️ Waarom je het gras in april beter niet maait

➡️ Eetgedrag zegt alles: Psychologen ontdekten dat mensen die erg snel eten ook in andere levensgebieden vaker ongeduldig zijn

Vooral de context wijst richting zeeschildpadden. Plesiosauriërs en mosasauriërs leefden waarschijnlijk vaker solitair. De gevonden sporen liggen echter in grote aantallen bij elkaar, alsof meerdere dieren zich tegelijk verplaatsten.

Onderzoekers denken dat een aardbeving een kettingreactie startte: panikerende dieren op de bodem, gevolgd door een modderlawine die hun sporen verzegelde.

Volgens het team gaat het om een gedrag dat ze “underwater punting” noemen: het dier duwt met beide voorste vinnen tegelijk in de zachte zeebodem, schiet een stukje vooruit en herhaalt dat ritme. Dat levert twee parallelle groeven op die telkens onderbroken worden door een kort, glad stuk sediment.

Oorzaak: een aardbeving in het Laat‑Krijt

Gesteentemonsters direct boven de sporen vertellen het tweede deel van het verhaal. De structuur van dat materiaal wijst op een onderzeese modderlawine, een zogenoemde turbidietstroom. Zulke stromen ontstaan vaak na een aardbeving: het sediment op de helling van de zeebodem raakt instabiel, komt in beweging en schuift in dikke pakketten naar beneden.

De datering van de lagen plaatst de gebeurtenis rond 79 miljoen jaar geleden, in het Laat‑Krijt. De aardbeving moet kort na het ontstaan van de sporen hebben plaatsgevonden. De modderstroom bedekte de groeven snel en beschermde ze tegen erosie en “tuinieren” door bodemdieren zoals wormen en schelpen.

Normaal verdwijnen sporen op de zeebodem binnen korte tijd. Door stromingen, graafactiviteiten en chemische processen raakt het sediment steeds weer omgewoeld. Hier werkte de aardbeving als een nooddeksel: de sporen werden in minuten afgedekt en zo voor miljoenen jaren veilig gesteld.

Twijfels en discussie: waren het wel schildpadden?

Niet alle paleontologen zijn volledig overtuigd dat zeeschildpadden de afdrukken maakten. De Britse vertebratenpaleontoloog Michael Benton prijst de degelijke documentatie van de geologische context, maar zet vraagtekens bij de interpretatie van het spoor.

Hij wijst erop dat veel gewervelde dieren hun ledematen normaal gesproken niet volledig synchroon gebruiken. Bij lopen en zwemmen verschuift het ritme vaak van links naar rechts. De dubbele, gelijktijdige afdrukken passen daar minder goed bij.

Daarnaast hebben moderne zeeschildpadden een efficiënte zwemstijl waarbij ze hun voorvinnen in een soort achtvormige beweging door het water slaan, meestal zonder veel contact met de bodem. Benton vraagt zich af waarom deze dieren niet simpelweg wegzwommen van het risico, in plaats van zich over de bodem af te zetten.

De interpretatie als zeeschildpadden blijft voorlopig een goed onderbouwde hypothese, geen onomstotelijk feit.

Montanari en zijn collega’s erkennen dat meer studie nodig is. Een gedetailleerde vergelijking met sporen van andere mariene reptielen en met gedrag van moderne dieren moet meer duidelijkheid geven. Voor nu wijst de combinatie van formaat, tijdsperiode, groepsgedrag en geologische context volgens hen het sterkst naar zeeschildpadden.

Wat deze sporen zeggen over oude zeeën en aardbevingen

Los van de precieze dader leveren de sporen waardevolle informatie op over het gedrag van grote zeedieren tijdens geologische rampen. De combinatie van plotselinge beweging, massaal voorkomen en directe bedekking door modder tekent een scenario waarin dieren acuut reageerden op schokken in de ondergrond.

Dat geeft paleontologen een zeldzaam inkijkje in “levend gedrag” in het fossielenarchief. Fossiele botten tonen vooral lichamen na de dood. Ichnofossielen – sporen, tunnels en graafgangen – laten juist handelingen zien: lopen, jagen, vluchten, rusten.

  • Skeletfossielen tonen wie er leefde.
  • Sporenfossielen tonen wat die dieren deden.
  • Sedimentlagen tonen in welke omgeving dat gebeurde.

In Monte Cònero vallen die drie lijnen bijzonder mooi samen. De sedimentologie wijst op een diepe zeebodem met frequente aardbevingen. De microfossielen schetsen een rijk bodemmilieu. De groeven zelf tonen grote zwemmers die in paniek reageren op plotseling gevaar.

Een blik op moderne parallellen

Onderwater-aardbevingen en modderlawines zijn geen verschijnsel uit een ver verleden. Ook vandaag registreren wetenschappers langs actieve plaatranden regelmatige “submarine landslides” die kabels, pijpleidingen en soms complete flanken van de oceaanbodem verplaatsen.

Biologen zien dat veel moderne dieren gevoelig reageren op seismische trillingen. Vissen kunnen zenuwachtig rondzwemmen, bodemdieren kruipen naar beschutte plekken en sommige soorten verlaten de risicovolle zone. De interpretatie van de Italiaanse sporen sluit nauw aan bij zulke observaties.

Fenomeen Toen (Laat‑Krijt) Nu
Aardbevingen onder water Actief in de Tethysoceaan, gekoppeld aan plaatbewegingen Veelvoorkomend langs subductiezones en breuklijnen
Onderzeese modderlawines Bewijs in turbidietlagen zoals de Scaglia Rossa Instrumenteel gemeten, risico voor infrastructuur
Reactie van zeedieren Afgeleid uit sporenbanen in fossiel sediment Geobserveerd met camera’s, sensoren en sonar

Wat deze vondst betekent voor speurtochten naar oude sporen

De ontdekking door rotsklimmers onderstreept hoe vaak amateurs en buitensporters het verschil maken in de geologie en paleontologie. Klimmers, wandelaars en duikers komen regelmatig op plaatsen die onderzoekers minder vaak bezoeken. Een getraind oog, of simpelweg nieuwsgierigheid, kan daar het startpunt vormen voor nieuw onderzoek.

Voor parken en lokale overheden levert dat zowel kansen als vragen op. Zulke plekken kunnen educatieve routes of informatiepanelen krijgen, maar blijven tegelijk kwetsbaar voor vandalisme of onbedoelde schade. Het beschermen van sporen in steile wanden vraagt maatwerk, bijvoorbeeld door digitale 3D‑scans en virtuele reconstructies te maken.

Voor wie zelf graag zoekt naar tekens van het verre verleden in een bergwand of klif, kan een simpele vuistregel helpen. Let op patronen die zich ritmisch herhalen, op structuren die duidelijk verschillen van breuken of natuurlijke scheuren, en op oppervlakken waar de rest van de rots opvallend glad of juist korrelig is. Wie iets bijzonders vermoedt, stuurt beter foto’s en locatiegegevens naar een geologisch instituut dan direct te gaan hakken.

De mogelijke “zeeschildpad-paniekvlucht” bij Monte Cònero laat zien hoe een kort moment van chaos op een oude zeebodem, veroorzaakt door een aardbeving, zich kan vastzetten in steen. Miljoenen jaren later lezen rotsklimmers en onderzoekers er samen een verhaal in over gedrag, gevaar en overleven in een oceaan die al lang verdwenen is.